1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Gelijkenissen
1 Diezelfde dag verliet Jezus het huis en ging bij de zee zitten.2 En er kwamen zoveel mensen bij Hem samen, dat Hij in een boot ging zitten. En alle mensen bleven op de oever.
3 En Hij vertelde hun vele dingen in gelijkenissen, en zei: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien.
4 En terwijl hij zaaide, vielen sommige zaadjes langs de weg, en de vogels kwamen en aten ze op.
5 Sommige vielen op steenachtige plaatsen, waar ze niet zo veel aarde hadden. Ze kwamen meteen op, omdat ze geen diepte in de aarde hadden:
6 En toen de zon opkwam, waren ze aangebrand, en omdat ze geen wortels hadden, droogden ze uit.
7 En sommige vielen tussen de dorens, en de dorens groeide op en verstikten ze.
8 Maar andere vielen in goede aarde, en brachten vrucht voort, sommige een honderdvoud, sommige zestigvoud en sommige dertigvoud.
9 Wie oren heeft om te horen, laat hem horen.
10 En de discipelen kwamen en zeiden tegen Hem: Waarom spreekt u tegen hen in gelijkenissen?
11 Hij antwoordde en zei tegen hen: Omdat het jullie gegeven is om de geheimen van het koninkrijk van de hemel te weten, maar hun is dat niet gegeven.
12 Want wie heeft, aan die zal gegeven worden, en hij zal hebben in overvloed. Maar wie niet heeft, van hem zal, zelfs wat hij heeft, weggenomen worden.
13 Daarom spreek ik tot hen in gelijkenissen. Omdat ze ziende niet zien, en horende niet horen, noch begrijpen.
14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zul je horen en niet begrijpen. En ziende zul je zien, maar niet waarnemen.
15 Want het hart van dit volk is afgeschermd met vet, en hun oren zijn doof, en hun ogen hebben ze gesloten. Zodat ze met hun ogen niet zullen zien, en niet horen met hun oren, en niet begrijpen met hun hart, om zich niet te hoeven bekeren, en ik ze niet zou genezen.
16 Maar gezegend zijn je ogen, want ze zien. En je oren, want ze horen.
17 Want ik zeg tegen jullie, dat veel profeten en rechtvaardigen hadden willen zien de dingen die jullie zien, en hebben ze niet gezien. En te horen de dingen die jullie horen, en hebben ze niet gehoord.
18 Hoor daarom de gelijkenis van de de zaaier.
19 Wanneer iemand het woord van het koninkrijk hoort, en het niet begrijpt, dan komt de boze en rooft weg wat in zijn hart gezaaid is. Dit is degene die zaad langs de weg ontving.
20 Maar wie het zaad in rotsige aarde ontving, hij is degene die het woord hoort, en meteen met vreugde aanneemt.
21 Toch heeft hij geen wortel in zich, het is maar tijdelijk. Want wanneer tegenspoed of vervolging komt vanwege het woord, valt hij er steeds ten prooi aan.
22 Wie het zaad tussen de doornen ontving, is degene die het woord hoort. En de zorgen van de wereld, en de bedrieglijkheid van rijkdom, verstikken het woord, en hij wordt onvruchtbaar.
23 En wie het zaad in goede aarde ontving, is degene die het woord hoort en begrijpt. Degene die ook vrucht draagt en geeft, deels hondervoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvouig.
24 Hij vertelde hun nog een gelijkenis en zei: Het koninkrijk van de hemel lijkt op iemand die goed zaad in zijn veld had gezaaid.
25 Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe, en ging weg.
26 Toen de graan opkwam en begon vrucht te dragen, toen verscheen ook het onkruid.
27 De dienaren van de eigenaar kwamen en zeiden tegen hem: Heer, heeft u niet goed zaad gezaaid in uw veld? Waar komt al dat onkruid vandaan?
28 Hij zei tegen hen: Een vijand heeft dat gedaan. De dienaren zeiden tegen hem: Wilt u dat we gaan en ze eruithalen?
29 Maar hij zei: Nee, want als je het onkruid eruit haalt, trek je ook de tarwe mee uit.
30 Laat ze beide samen groeien tot de oogst. En in de tijd van oogst zal ik zeggen tegen de maaiers, "Verzamel eerst het onkruid en bind het in bossen, om het te verbranden. Verzamel dan de tarwe in mijn schuur.
31 Hij vertelde hen een andere gelijkenis en zei: Het koninkrijk van de hemel is als een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn veld zaaide.
32 Dat is wel het kleinste van alle zaden, maar als het opgegroeid is, dan is het het grootste van alle kruiden en wordt een boom, zodat de vogels van de hemel komen en maken hun nest in zijn takken.
33 Hij vertelde hen nog een gelijkenis: Het koninkrijk van de hemel is als gist, dat een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel gezuurd was.
34 Dit alles vertelde Jezus in gelijkenissen aan de mensen, en zonder gelijkenis sprak Hij tegen hen niet.
35 Zodat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet toen hij zeide: Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen. Ik zal dingen uitspreken die verborgen waren vanaf de grondlegging van de wereld.
36 Toen stuurde hij de mensen weg en ging naar huis. En zijn discipelen kwamen naar Hem en zeiden: Leg ons de gelijkenis uit van het onkruid op het veld.
37 Hij antwoordde en zei tegen hen: Degene die het goede zaad zaait is de Zoon van de mensen.
38 Het veld is de wereld. Het goede zaad zijn de kinderen van het koninkrijk, het onkruid zijn de kinderen van de boze.
39 De vijand die het zaaide is de duivel. De oogst is de voleinding van de wereld, en de maaiers zijn de engelen.
40 En zoals het onkruid wordt verzameld en in het vuur verbrand wordt, zo zal het zijn in de voleinding van deze wereld.
41 De Zoon van de mensen zal zijn engelen zenden, en vanuit zijn koninkrijk, zullen ze naar buiten begeleiden alle dingen die kwetsen, en diegenen die ongerechtigheid doen.
42 En ze zullen hen in een oven met vuur werpen. Daar zal geween zijn en geknars van tanden.
43 Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zoon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft, leet hem horen.
44 Nogmaals, het koninkrijk van de hemel is als een schat, verborgen in een veld, gevonden en verborgen door een mens. Uit blijdschap erover, verkocht hij alles wat hij had en kocht hij dat veld.
45 Nogmaals, het koninkrijk van de hemel is als koopman, op zoek naar kostbare parels.
46 Toen hij een parel vond die heel duur was, verkocht hij alles wat hij had en kocht die.
47 Nogmaals, het koninkrijk van de hemel is als een net, geworpen in de zee en van alles heeft gevangen.
48 Dat, toen het vol was, trokken ze op de over, en ze gingen zitten, ze verzamelde de goede, maar ze gooide de slechte weg.
49 Zo zal het zijn bij de voleinding van de wereld, de engelen zullen komen en afzonderen de kwaden van de rechtvaardigen,
50 en hen werpen in de oven met vuur. Er zal gejammer zijn en knarsen van tanden.
51 Jezus zei tegen hen: Hebben jullie dit alles begrepen? Ze zeiden tegen Hem: Ja, HEER.
52 Toen zei Hij tegen hen: Daarom ieder schriftgeleerde onderwezen in het koninkrijk van de hemel, is als een huismeester, die uit zijn bezittingen nieuwe en oude dingen brengt.
53 En toen Jezus deze gelijkenissen verteld had, vertrok Hij van daar.
54 En toen Hij in zijn eigen land kwam, leerde Hij hen in hun synagoge. Daar waren ze onder de indruk en zeiden: Van waar heeft deze man die wijsheid en deze machtige krachten?
55 Is dat niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en broeders Jakobus, en Jozef, en Simon, en Judas?
56 En zijn zusters, zijn ze niet allemaal bij ons? Van waar heeft deze man dit alles?
57 En ze voelden zich aangesproken door Hem. Maar Jezus zei tegen hen: Een profeet is nooit zonder waardering, behalve in zijn eigen land en in zijn eigen huis.
58 En Hij daar geen grote werken verricht vanwege hun ongeloof.
0 reacties:
Een reactie posten