1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Jezus op proef in de woestijn
Geleid door de Geest, ging Jezus naar de woestijn, waar de duivel hem zou verleiden.
Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten heeft gevast, had hij veel honger.
Dan kwam de duivel en zei tegen Hem: "Als je de Zoon van God bent, beveel dan aan die stenen om in brood te veranderen."
Jezus antwoordde: De mens zal niet alleen van brood leven, maar ook van elk woord dat uit de mond van God komt.
Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en bracht Hem naar de hoogste plaats van de tempel.
Hij zei tegen hem: Als je de Zoon van God bent, spring dan naar beneden! Er staat toch geschreven "Hij zal de engelen sturen om u op te vangen, zodat u uw voet niet aan de steen zult stoten."
Jezus antwoordde: Er staat ook geschreven "Stel de Heer, uw God, niet op de proef."
De duivel nam hem weer mee, naar een hele hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien, met al hun pracht,
en zei tegen Hem: Dit alles zal ik je geven, als je voor me neervalt in aanbidding.
Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan! Want er staat geschreven "U zult alleen de Heer, uw God, aanbidden, en hem alleen dienen."
Toen liet de duivel hem achter en er kwamen engelen om over hem te waken.
Jezus' verkondiging
Toen Jezus hoorde dat Johannes in de gevangenis zat, ging Hij naar Galilea.
Hij verliet Nazareth en vestigde zich in Kafarnaüm, aan het Galilea meer, in het gebied van Zebulon en Naftali.
Zo werden de volgende woorden van de profeet Jesaja vervuld:
Het land van Zebulon en het land van Naftali, langs de weg naar de zee, over de Jordaan, Galilea van de Heidenen:
Het volk dat in het donker was, zag een stralend licht. En voor hen die daar, en onder de schaduw van de dood waren, verscheen het licht.
Dit was de tijd toen Jezus begon te verkondigen, Hij zei: Begin een nieuw leven, de koninkrijk van de hemel nadert.
De vissers
Toen Jezus langs het Galilea meer liep, zag Hij twee broers, Simon (die Petrus genoemd werd) en Andreas, zijn broer. Ze wierpen een net in het meer, want ze waren vissers.
Hij zei tegen hen: Volg mij, ik maak u vissers van mensen!
Ze lieten onmiddelijk hun netten, en ze volgden Hem.
Hij liep verder en zag twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer. Samen met hun vader Zebedeüs waren ze in een boot hun netten aan het voorbereiden. Hij riep hen.
Ze lieten onmiddelijk de boot en hun vader achter en volgden Hem.
Jezus geneest
Jezus ging door heel Galilea, Hij onderwees in hun synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas alle soorten van ziekten en kwalen tussen de mensen.
Zijn bekendheid versprijdde zich door geheel Syrië. Ze brachten bij Hem alle zieke mensen die geveld waren door allerlei ziektes en leed, ook bezetenen met demonen, lunatieken en verlamden, en Hij genas hen.
Er volgden Hem veel mensen uit Galilea en uit Dekapolis, uit Jeruzalem en uit Judea, en van over de Jordaan.
vrijdag 4 april 2008
Matteus 4
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
0 reacties:
Een reactie posten