maandag 21 april 2008

Matteus 8

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28

Genezing

1 Toen Hij afgedaald was van de berg, veel mensen volgden Hem.

2 En zie, er kwam iemand die lepra had en boog neer voor Hem met de woorden: HEER, indien U dat wilt kunt U mij rein maken.

3 En Jezus strekte zijn hand uit, en raakte hem aan met de woorden: Dat wil ik, word rein. En meteen was zijn lepra weg.

4 En Jezus zei tegen hem: Zeg het tegen niemand, maar ga. Laat de priester jou zien, en offer de gift die Mozes heeft bepaald, als getuigenis voor hun.

5 En toen Jezus Kafarnaüm binnenging, kwam er een officier naar hem toe, die hem smeekte.

6 En hij zei: HEER, mijn dienaar ligt thuis verlamd, onder hevige pijn.

7 En Jezus zei tegen hem: Ik zal komen en hem genezen.

8 De officier antwoordde en zei: HEER, ik ben niet waard dat U onder mijn dak komt. Spreek het woord alleen, en dan mijn dienaar zal worden genezen.

9 Want ik ben ook onder het gezag van anderen, en heb ook soldaten onder mij. En als ik zeg tegen de ene, "Ga!", en hij gaat. En tegen een andere, "Kom!", en hij komt. En tegen mijn dienaar, "Doe dit!", en hij doet het.

10 Toen Jezus dat hoorde, had hij bewondering, en zei tegen hen die hem volgden: Ik zeg tegen jullie, ik heb nog nooit zo'n groot geloof gevonden, nee, niet in Isreal.

11 En ik zeg tegen jullie, dat er velen zullen komen, van oost en west, en plaats nemen naast Abraham en Isaac en Jacob in het koninkrijk van de hemel.

12 Maar de kinderen van het koninkrijk zullen geworpen worden naar de verste duisternis. Daar zal geween en geknars van tanden zijn.

13 En Jesus zei tegen de officier: Ga maar, en mag datgene wat je geloofd hebt, een werkelijkheid voor jou worden. En op dat moment werd zijn dienaar genezen.

14 En toen Jezus in het huis van Petrus kwam, zag Hij dat de moeder van zijn vrouw daar lag, met koorts.

15 En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verdween. Ze stond op en diende Hem.

16 Toen het avond werd, werden er veel mensen naar Hem gebracht die bezeten waren door demonen. En Hij verdreef de geesten met Zijn woord en genas allen die ziek waren.

17 Zodat wat door Esaias, de profeet, gesproken was, vervuld werd: "Hij zelf nam onze zwakten weg en droeg onze ziekten."

18 Toen Jezus veel mensen om zich heen zag, gaf Hij een bevel om te vertrekken naar de overkant.

19 En er kwam een schriftgeleerde en zei tegen Hem: Meester, ik zal U volgen waar U ook gaat.

20 En Jezus zei tegen hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht hebben nesten, maar de Zoon van de mens heeft nergens plaats om te liggen.

21 En een ander van Zijn discipelen zei tegen hem: HEER, laat U mij eerst gaan om min vader te begraven.

22 Maar Jezus zei tegen hem: Volg mij, en laat de doden hun doden begraven.

23 En toen Hij in het schip ging, volgden zijn discipelen Hem.

24 En zie, er kwam een grote storm op de zee, waardoor het schip met golven bedenkt werd. Maar Hij sliep.

25 En zijn discipelen kwamen naar Hem toe en maakten Hen wakker. Ze zeiden: HEER, red ons, wij vergaan.

26 En Hij zei tegen hen: waarom zijn jullie bang, o jullie van klein geloof? Toen stond Hij op en sprak aan de wind en de zee. En toen werd het heel stil.

27 En de mensen zeiden in bewondering: Wat voor iemand is deze, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzamen!

28 En toen Hij aan de overkant gekomen was, in het land van de Gadarenen, kwamen Hem twee bezetenen met demonen tegen. Ze kwamen van de graven, zo geweldadig, dat niemand op die weg daar langs kon gaan.

29 En zie, ze schreeuwden uit: Wat hebben we met jou te maken, jij Zoon van God? Ben je hier gekomen om ons pijn te doen, voordat de tijd gekomen is?

30 Er was ook, vrij ver van hen, een grote kudde zwijnen aan het grazen.

31 De demonen smeekten Hem: Als U ons uitdrijft, laat ons dan naar die kudde zwijnen gaan.

32 En Hij zei tegen hun: Ga! En toen ze eruit kwamen, gingen ze in de kudde zwijnen. En zie, de hele kudde zwijnen raasde van de helling af naar de zee en verging in het water.

33 En de varkenshouders vluchtten en gingen naar de stad en vertelden alles, ook wat er gebeurd was met de bezetenen met demonen.

34 En zie, de hele stad ging uit om Jezus tegemoet te komen. En toen ze hem zagen, verzochten ze Hem om hun gebied te verlaten.

0 reacties: