1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Jezus en de Sabat
1 In die tijd ging Jezus door de korenvelden. Zijn discipelen hadden honger en begonnen de aren van de koren te plukken en te eten.
2 Maar toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Hem: Kijk, uw discipelen doen iets, wat op sabbat volgens wet niet mag.
3 Maar Hij zei tegen hen: Hebben jullie niet gelezen wat David deed, toen hij honger had, en zij die met hem waren?
4 Hoe hij het huis van God binnenging en van het offerbrood at. Het was voor hem niet volgens de wet om te eten, noch voor hen die met hem waren, maar alleen voor de priesters.
5 Of heb je niet in de wet gelezen, hoe de priesters de sabbat schenden, en toch zijn ze onschuldig?
6 Maar ik zeg tegen je, dat hier meer dan de tempel is.
7 Maar als je wist wat dit betekende: "Ik ontvang genade en geen opoffering", dan zou je de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
8 Want de Zoon van de mensen is Heer ook over de sabbat.
9 En toen Hij vertrokken was van daar, ging Hij in hun synagoge.
10 En zie, daar was een man wiens hand was uitgedroogd. En ze vroegen Hem: "Is het volgens de wet om op sabbat te genezen?", zodat ze Hem konden aanklagen.
11 En Hij zei tegen hen: Als iemand van jullie een schaap had, en als het in een kuil zou vallen op een sabbat, zou hij het niet vast pakken en eruit halen?
12 Hoe veel meer is een mens meer waard dan een schaap? Daarom is het wel volgens de wet om op sabbat goed te doen.
13 Daarna zei Hij tegen de man: Strek je hand uit. En hij strekte zijn hand, en die werd hersteld als de andere.
14 Toen gingen de farizeeën naar buiten en overlegde plannen tegen Hem, hoe ze Hem zouden kunnen doden.
15 Maar toen Jezus dat wist, vertrok Hij van daar, en velen volgden Hem, en Hij genas ze allemaal,
16 en gebood hun om Hem niet bekend te maken.
17 Zodat wat door Jesaja gesproken is, vervuld zou worden:
18 Zie, Mijn Dienaar, die ik gekozen heb, Mijn Geliefde, in wie Mijn ziel vreugde heeft. Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel aan de heidenen tonen.
19 Hij zal niet twisten noch roepen, nog zal iemand zijn stem op straat horen.
20 Een geschaafde riet zal Hij niet breken, een kwijnende vlam zal hij niet doven, totdat Hij het recht tot een overwinning heeft gebracht.
21 En op zijn naam zullen de heidenen vertrouwen.
22 Toen werd een bezetene door de duivel bij Hem gebracht. Hij was blind en kon niet spreken. En Hij genas hem, zodat de blinde die niet kon spreken, kon zowel spreken als zien.
23 En alle mensen waren verwonderd en zeiden: Is dat niet de zoon van David?
24 Maar toen de farizeeën dat hoorden, zeiden ze: Deze drijft niet demonen uit, maar dat gebeurt door Beëlzebul, de prins van de duivels.
25 En Jezus kende hun gedachten en zei tegen hen: Ieder koninkrijk dat verdeeld is tegen zichzelf, gaat ten onder. En iedere stad of huis dat verdeeld is tegen zichzelf zal geen stand houden.
26 En als de satan de satan uitdrijft, is hij verdeeld tegen zichzelf. Hoe zal dan zijn rijk standhouden?
27 En als Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven jullie kinderen ze dan uit? Daarom zullen zij jullie rechters zijn.
28 Maar als Ik de demonen uitdrijf door de Geest van God, dan is het koninkrijk van God tot jullie gekomen.
29 Hoe zou iemand in het huis van een sterke man binnen kunnen komen, en zijn bezittingen roven, als hij niet eerst de sterke vastbindt? Dan kan hij zijn huis leegroven.
30 Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet bij mij blijft, verdwaalt in de verte.
31 Daarom zeg ik tegen jullie, elke zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering tegen de Heilige Geest zal de mensen niet vergeven worden.
32 En wie een woord tegen de Zoon van de mensen uitspreekt, het zal hem vergeven worden. Maar wie tegen de Heilige Geest spreekt, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de wereld die zal komen.
33 Of de boom is goed en zijn vruchten zijn goed, of de boom is slecht en zijn vruchten zijn slecht. Want de boom wordt herkend aan zijn vrucht.
34 O, nakomelingen van adders, hoe kun je goede dingen zeggen, als je slecht bent? Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.
35 Een goed mens doet goede dingen doordat er een schat van goeds in zijn hart is. En een slecht mens put uit de kwade schat om slechte dingen te doen.
36 Maar Ik zeg tegen jullie, dat van ieder overbodig woord dat mensen spreken, zullen ze verantwoording geven op de dag van het recht.
37 Want door je woorden zul je vrijgesproken worden, en door je woorden zul je veroordeeld worden.
38 Toen antwoordden sommige van de schriftgeleerden en de farizeeën: Meester, we zouden van U een teken willen zien.
39 Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Een slechte en overspelige generatie is op zoek naar een teken, en er zal geen ander teken aan hun gegeven worden, behalve het teken van de profeet Jona:
40 Want Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis. Zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.
41 De mensen van Nineve zullen opstaan om deze generatie te berechten en zullen haar veroordelen. Omdat ze zich bekeerd hebben tijdens de verkondiging van Jona. En zie, iemand groter dan Jona is hier.
42 De koninging van het zuiden zal opstaan om deze generatie te berechten en zal haar veroordelen. Want ze kwam van de verste delen van de aarde om de wijsheud van Salomo te horen. En zie, iemand groter dan Salomo is hier.
43 Wanneer de onreine geest een mens verlaten heeft, loopt hij door uitgedroogde plaatsen, op zoek naar rust, en die vind hij niet.
44 Dan zegt hij: ik zal teruggaan naar mijn huis, waar ik vandaan kom. En wanneer hij aankomt, vindt hij het opgeruimd, schoongemaakt en versierd.
45 Dan gaat hij, en hij haalt zeven andere geesten, nog slechter dan hijzelf, en ze gaan naar binnen en blijven daar. En de laatste is nog erger dan de eerste. Dezelfde zal ook deze slechte generatie overkomen.
46 Terwijl Hij nog tot de mensen sprak, zie, zijn moeder en zijn broers stonden buiten en wilden met Hem spreken.
47 Toen zei iemand tegen Hem: Kijk, uw moeder en uw broers staan buiten en willen met U spreken.
48 Maar Hij antwoordde en zei tegen diegene, die Hem dat heeft gezegd: Wie is mijn moeder? En wie zijn mijn broers?
49 En Hij strekte zijn hand uit naar zijn discipelen en zei: Zie, mijn moeder en mijn broeders!
50 Want wie de wil doet van mijn Vader, die in de hemel is, die is mijn broeder, en mijn zuster, en mijn moeder.
donderdag 26 juni 2008
Matteus 12
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
0 reacties:
Een reactie posten