1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
1 Voor de muziekleider, op de melodie van De dood van de zoon. Een psalm van David.
2 Ik zal U loven, o HEER,
met heel mijn hart.
ik zal bekend maken
al Uw wonderbare werken.
3 Ik zal blij zijn
en mij in U verheugen.
Ik zal een danklied voor Uw naam zingen,
o, U, Allerhoogste.
4 Wanneer mijn vijanden zijn geweerd,
dan zullen ze vallen en vergaan,
door Uw aanwezigheid.
5 Want U bevestigt mijn recht en mijn belang.
U zit in de troon en oordeelt rechtvaardig.
6 U heeft de goddelozen vermaand,
U heeft de bozen vernietigd,
U heeft hun naam uitgewist voor altijd.
7 O, vijand, vernielingen zijn voor eeuwig tot eind gekomen.
En jij hebt steden vernield,
en hun gedachtenis is met hen mee vergaan.
8 Maar de HEER zal er zijn voor altijd.
Hij heeft zijn troon voorbereid voor het oordeel.
9 En Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid,
Hij zal een oprechte oordeel uitspreken over de mensen.
10 De HEER zal ook een toevlucht zijn voor de onderdrukten,
een toevlucht in tijden van nood.
11 En degenen die Uw naam kennen,
zullen op U vertrouwen.
Want, U, HEER, heeft niet verlaten
degenen die op zoek naar U zijn.
12 Zing dankliederen voor de HEER,
die in Sion woont.
Vertel zijn daden aan de mensen.
13 Toen Hij wraak nam voor het vergoten bloed
dacht Hij aan hen,
Hij vergeet de roep van de verbrokenen niet.
14 Heb genade voor mij, o HEER,
zie mijn leed waaronder ik gebukt ben,
door hen die mij haten,
U, die mij ophaalt van de poorten van de dood.
15 Zodat ik Uw glorie zichtbaar mag maken
in de poorten van de dochter van Sion.
Ik zal zingen van blijdschap, in Uw redding.
16 De heidenen zijn diep gezonken
in de put die ze zelf gemaakt hebben.
In het net dat ze zelf spanden,
viel hun eigen voet verstrikt.
17 De HEER is bekend door de recht
die Hij bevestigt.
De godelozen zijn in de val gelopen,
het werk van hun eigen handen.
Higgajon, Sela.
18 De godelozen zullen teruggebracht worden naar de hell,
en al de volken die God vergeten.
19 Maar wie in nood is,
zal nooit vergeten worden.
De hoop van de armen
zal nooit verloren zijn.
20 Sta op, o HEER,
laat geen mens overwinnen.
Mogen de godelozen terecht staan
in Uw aanwezigheid.
21 Laat hen vrezen, o HEER,
zodat de volken mogen beseffen,
dat ze slechts mensen zijn.
woensdag 21 mei 2008
Psalm 9
Labels:
Allerhoogste,
blijdschap,
David,
hart,
nood,
redding,
Sion,
vertrouwen,
vijand,
zingen
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
0 reacties:
Een reactie posten